Helderheid en kleur van sterren
Waarom sterren verschillen in helderheid en kleur, wat magnitude betekent en hoe de kleur de temperatuur verraadt.
Helderheid: magnitude
Sterrenkundigen meten helderheid op de magnitudeschaal uit de oudheid: kleinere getallen zijn helderder. Elke stap is ongeveer 2,5 keer, dus 5 magnitudes is precies 100 keer. Sirius is −1,46, de Poolster ongeveer 2, en op een donkere plek zie je sterren tot magnitude 6. In de stad stopt het soms bij 3.
Hoe helder een ster lijkt, hangt af van twee dingen: hoe lichtsterk hij echt is en hoe ver weg. Deneb lijkt zwakker dan Wega, maar staat zo’n 2.600 lichtjaar ver en is in werkelijkheid tienduizenden keren lichtsterker dan de zon.
Kleur: temperatuur
Kijk naar Orion: Betelgeuze (linksboven) gloeit oranjerood, Rigel (rechtsonder) blauwwit. De kleur toont de oppervlaktetemperatuur:
- rood: ongeveer 3.000 °C (Betelgeuze, Antares)
- oranje: 4.000 °C (Arcturus, Aldebaran)
- geel: 5.500 °C (de zon, Capella)
- wit: 9.000 °C (Wega, Sirius)
- blauwwit: 12.000 °C en meer (Rigel, Spica)
Voor het oog zijn de kleuren subtiel; een verrekijker die iets onscherp staat, maakt ze duidelijker. Vergelijk ze in de lijst met heldere sterren.