Planeet of ster?
Planeten stralen rustig, staan op één lijn aan de hemel en zwerven van week tot week. Zo herken je ze.
Vijf planeten zijn makkelijk met het blote oog te zien: Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus. Drie kenmerken verraden ze.
- Ze fonkelen nauwelijks. Sterren zijn punten, dus onrustige lucht laat ze flikkeren. Planeten zijn piepkleine schijfjes; hun licht middelt uit tot een rustige gloed, vooral hoog aan de hemel.
- Ze staan op de ecliptica. Zon, maan en planeten bewegen allemaal langs dezelfde band, door de dierenriem. Staat een heldere “ster” op één lijn met de maan en het punt van zonsondergang, dan is het waarschijnlijk een planeet.
- Ze bewegen. In een week of twee verschuift een planeet ten opzichte van de sterren. Planeet komt van het Griekse woord voor zwerver.
Wie is wie
- Venus: verblindend wit, nooit ver van de zon, alleen in de avond- of ochtendschemering.
- Jupiter: helder crèmewit, rond de oppositie bijna de hele nacht te zien. Een verrekijker toont zijn vier grote manen.
- Mars: oranjerood, de helderheid wisselt sterk; op zijn best elke 26 maanden bij oppositie.
- Saturnus: rustig lichtgeel, zwakker dan Jupiter. Een kleine telescoop laat de ringen zien.
- Mercurius: laag in heldere schemering, steeds maar een paar weken.
De planetenpagina laat zien welke er nu bij jou te zien zijn.